![]() |
Ga naar:
|
Omstreeks 1800 werd de verf gemalen in een stenen molen; deze molen had twee gebilde stenen. De bovenste steen werd door middel van een stok rondgedraaid.
Rond 1850 kwamen de eerste ijzeren potmolens in gebruik; in 1900 was er een heel sortiment in de handel verkrijgbaar. In de expositieruimte staat een stel aan elkaar gekoppelde molens van verschillend formaat, dat van een drijfwerk is voorzien. Dit is de start geweest van de “Electrische Verffabricage”.
![]()

APPARATUUR
EN HULPMIDDELEN
Behalve met het bereiden
en verwerken van verf is de
schilder ook altijd bezig
geweest met het glad en strak
maken van de ondergrond.
Ook het verwijderen van oude
verflagen hoorde daar bij. Voor
het schuren gebruikte men
verschillende “natuurlijke”
hulpmiddelen als puimsteen en
haaienvel. Het ruwe vel van
de haai was bijzonder geschikt
voor het opruwen van de
ondergrond. De uitdrukking
“afhaaien”, die door oudere
schilders nog veelvuldig wordt
gebruikt, is hiervan afkomstig.

Het verwijderen van oude
verflagen werd ook vroeger
reeds gedaan door de verflaag
“af te branden”. Een korf
gevuld met brandende turf
werd tegen het houtwerk aangedrukt;
hierdoor ontstonden
blaren in de oude verflaag.
Deze eerste afbrandapparaten
werden dan ook “blarentrekkers”
genoemd.
Veel later is men pas gaan
experimenteren met andere
methoden en apparaten.
GROF- EN FIJNSCHILDERS
Deze uitdrukking is bekend
uit de gildetijd, evenals “Verwers
of schilders met de groote
kwast”.
Behalve met het huisschilderen
hebben de schilders zich
ook bezig gehouden met het
reclame- en decoratieschilderen.
Vooral het zogenaamde
houten en marmeren heeft
rond 1870 een grote vlucht
genomen. Schilder Goudappel
uit Delft maakte een compleet
stalenboek om zijn klanten
een keus te laten maken.
De Nederlandsche Schildersbond
(opgericht in 1880)
organiseerde onder haar leden
een prijsvraag met een
opschrift van verschillende lettertypes.
In de Schilderswinkel in
het Buitenmuseum wordt in de
zomer elke zaterdag een
demonstratie gegeven van deze
oude technieken door een
groep vrijwilligers, die opgeleid
is in het Nimeto te Utrecht.![]()
SPECIALE TECHNIEKEN
Behalve het hout- en marmerschilderen
zijn er nog meer
technieken die werden beoefend.
Het letterschilderen was
een geliefde bezigheid. Met
veel geduld en oefening ontstonden
kunstwerken. Een
voorbeeld is: “Wenst niet soo
seer dat God wil geven Een
lang maar wel een salig leven”.
Een techniek die ook vandaag
nog bij restauraties wordt
uitgevoerd is het vergulden,
een techniek die vroeger door
veel schilders werd beheerst.
DE OPLEIDING
Na de definitieve opheffing
van de gilden in 1818 is de
opleiding in het slop geraakt.
In 1840 startten de eerste
(avond)tekenscholen. De eerste
Ambachtsschool werd in
1861 opgericht.
In 1922 werd door de Bond
van Nederlandsche Schilderspatroons in Utrecht de Nationale
Schildersschool geopend.
Als men de driejarige wintercursus
met goed gevolg had
doorlopen, mocht men zich
Meester Schilder noemen.![]()
![]() |
|
LONEN EN PRIJZEN
De winkel is op een speciale
manier ingericht. Bij binnenkomst
staat direct bij de
deur de lessenaar, waar de
patroon zijn administratie bijhield
en bewaarde. Aan die
lessenaar werd aan het eind
van de week het loon uitbetaald;
eerst de oudste “knecht”
en zo vervolgens naar het
jongmaatje.
Rond 1850 werd er zes
dagen per week gewerkt; men
maakte dagen van tien tot
twaalf uur. Een volwassen
schilder verdiende gemiddeld
70 cent per dag en het jongmaatje
25 cent.

Ondanks de opkomst van
de verffabrieken maakten de
schilders tot in het begin van
de 20e eeuw zelf stopverf. In
een bak in de winkel werd
krijt gemengd met lijnolie
gekneed tot een stevige massa.
Na enige dagen “uitzweten”
werd de massa weer opgewerkt
met krijt en werd wat droogmiddel
toegevoegd.
In het verkoopboek van
Herfst en Helder uit 1878
lezen we: gemalen krijt 20 kg
60 cent, 20 liter raauwe lijnolie
ƒ 7,80, 0,5 pond stopverf
10 cent. ![]()
PIGMENTEN EN VERVEN
In de 15e eeuw werden de
verven grof aangeslagen en zogebruikt; pas later is men gaan
wrijven en malen. Rond 1900
werden de verven nog door de
schilder zelf in de wintermaanden
gemaakt. Soms verkocht
hij zijn product van een eigen
samenstelling aan anderen. Dit
is het begin geweest van de
handel in en fabricage van
verfproducten.
Het wrijven van verf gebeurde op verschillende soorten steen. Lijnolie en het gewenste pigment werden gemengd en dan op een steen met een zogenaamde loper fijn gewreven. Blauwe, groene en zwarte verven werden op een hardblauwe steen gewreven, terwijl een witte marmersteen geschikt was voor witte en lichtgekleurde verven.

Kleine hoeveelheden van
deze pigmenten werden
bewaard in een kast met grote
en kleine laden, de pigmentenkast.
Grotere hoeveelheden
werden geleverd in houten
tonnen; dit waren hoofdzakelijk
de aardverven.